Gemiste loopbaankansen en pensioenopbouw, minder vrijheid en een zwaardere taakbelasting thuis. Steeds meer jonge vrouwen vragen zich af of ze wel kinderen willen. Goede zorgregelingen helpen, maar bij de beslissing spelen de overheid en werkgevers geen rol.
‘Ik twijfel en ik ken vele vrouwen van mijn leeftijd die nog niet weten of ze kinderen willen.’ Astrid (33) werkt bij een grote maatschappelijke organisatie als communicatiemanager en heeft net als haar baas een leuk en ‘bomvol’ leven. Of daar kinderen bij passen, vraagt zij zich steeds vaker af.
Ondertussen snakt de babyboomgeneratie naar meer kinderen, lees meer premie- en belastingbetalers en handen aan bedrijf en verpleegbed. Maar die komen er niet. Zoals de zaken er nu voor staan zal een kwart van de vrouwen geboren
na 1970 – toch al een kleine generatie – geen kinderen krijgen. Kinderloosheid is goed voor een derde van de hoogopgeleide vrouwen. Bij een flink deel daarvan inmiddels gaat het om vrijwillige kinderloosheid of afstel door uitstel.
Volgens promotieonderzoek eind jaren tachtig twijfelt één op de zes vrouwen tussen de twintig en veertig heftig of ze een kinderwens heeft. Veel vrouwen beslissen in een jaar, anderen doen er drie jaar over. Sommigen zijn er wel tien jaar of langer mee bezig. Nieuwe cijfers zijn er niet, maar er zijn wel sterke aanwijzingen dat de twijfel onder jonge vrouwen is toegenomen. Van de huidige dertigplussers stelt de helft het krijgen van kinderen bewust uit, ouderschap komt niet eens in hun hoofd op of men kan nog niet de knoop doorhakken.
“Belangrijke overwegingen zijn gelukkig worden en geborgenheid”
Uitstel heeft vooral te maken met twijfel aan een kinderwens, geen relatie hebben of onenigheid met partner. Aflopend spelen vervolgens loopbaanoverwegingen, financiën en huisvesting een rol. Nieuwe vruchtbaarheidstechnieken en prenatale screening rekken de beslistijd op die dubbende vrouwen (denken te) hebben. Dit met het risico dat uitstel van een besluit overvloeit in afstel. Wat twijfel maar wellicht ook bewuste kinderloosheid voedt, is dat vrijwillige kinderloosheid de afgelopen jaren een steeds beter geaccepteerde levensoptie is geworden. Vrouwen zonder kinderen zijn zichtbaarder dan ooit, op het werk en in de media, of het nu om vrijwillige of onvrijwillige kinderloosheid gaat. Beide groepen vrouwen verenigen zich in belangengroepen en wisselen informatie en steun uit. Kinderen krijgen is hoe dan ook geen vanzelfsprekendheid meer.
Individualisering en emancipatie hebben gezorgd voor een grotere variëteit in de levenslopen van vrouwen. Wel of niet kiezen voor kinderen zit ‘m vooral in vrouwen en hun relaties zelf. Hoe nuttig en maatschappelijk wenselijk ook, kinderopvang en verlofregelingen zijn niet het tovermiddel dat alle twijfel, uitstelgedrag en zelf gekozen kinderloosheid onder de huidige generatie jonge vrouwen zal wegnemen.
De aanwijzingen hiervoor zijn te vinden in Nederland maar ook in Zweden, waar ouderschapsfaciliteiten al jaar en dag gemeengoed zijn. Uit de statistieken blijkt namelijk dat slechts een fractie meer Zweedse kinderen worden geboren uit iets jongere ouders vergeleken landen zonder hetzelfde niveau van kinderopvang en ouderschapsverloven.
Het klopt dat weliswaar jonge ouders in Zweden niet bezorgd hoeven te zijn om hun financiële positie. Maar dat wil nog niet zeggen dat geld een rol speelt bij de keuze voor een eerste kind. Sterker, geld speelt geen rol voor aspirant ouders, hun persoonlijke kinderwens is genoeg. Veel belangrijkere overwegingen zijn: zelf gelukkig worden, liefde geven en krijgen en in een eigen gezin geborgenheid vinden. Pas bij de besluitvorming over een derde, vierde kind gaat geld tellen.
“In de praktijk drukt de combineerlast nog vooral op vrouwen”
Wat voor twijfelaars en beslissers wel zwaar meeweegt zijn de grote veranderingen die een kind met zich meebrengt: voor hun persoonlijke vrijheid, levenstijl en onafhankelijkheid in hun relatie. Want met een kind erbij moeten er harde afspraken worden gemaakt over het accepteren van promoties en nieuwe banen, het huishouden, zorg en opvoedingstijl.
Voordat er kinderen komen, genieten samenwonende stellen veel individuele vrijheid en verdelen ze huishouden en werk min of meer eerlijk. Ze nemen zich heilig voor om dit zo vol te houden. Maar vaak komt hier weinig van terecht als er eenmaal kinderen zijn, zo blijkt uit gegevens van het Sociaal en Cultureel Planbureau. Vaders gaan meer werken, moeders gaan meer thuis doen. Ondanks de opkomst van de zorgende vader, drukt in de praktijk van alle dag de combineerlast nog vooral op vrouwen. In Nederland heeft het wettelijke recht op deeltijd en allerlei verloven niet geleid tot een toeloop van mannen op wat extra tijd thuis met hun kinderen. Geld en gebrekkige daadkracht zijn daarvan de redenen.
Is dat in Zweden anders? Niet echt. Ook veel Zweedse mannen maken, ondanks hun twee maanden verlof (dat zelfs niet overdraagbaar is op hun vrouwen) er nog altijd weinig gebruik van. Ook in Zweden werken veel vrouwen in deeltijd. Ook in Zweden vragen jonge vrouwen zich ernstig af wat de zorg voor een gezin doet met hun loopbaankansen. En ook de Zweedse arbeidsmarkt kent sekse segregatie, zo relativeerde de Zweedse hoogleraar Eva Bernhardt (Centrum voor Gender Studies in Stockholm) het bejubelde Zweedse werk/zorgmodel eerder dit jaar tijdens een congres van de Nederlandse Gezinsraad. ‘De genereuze regelingen hebben een negatief effect op de carrièremogelijkheden van vrouwen. Werkgevers nemen vrouwen liever niet aan omdat ze zeer lang weg zijn zodra er kinderen komen, bij elkaar veertien maanden.’
Wat vrouwen parten speelt, zijn (eigen) hardnekkige traditionele opvattingen over ‘goed moederschap’ en een zwakke onderhandelingspositie door hun bescheiden inkomen uit deeltijdwerk. Want hoe banaal het ook klinkt: financieel onafhankelijke vrouwen staan sterker in hun schoenen over de taakverdeling thuis dan vrouwen zonder (noemenswaardig) betaald werk buitenshuis. De meeste solo soppende en zorgende vrouwen – en het zijn er nog velen – zijn niet blij met deze traditionele verdeling. Sterker, moeders die vroeger flink twijfelden over kinderen, vinden het de grootste tegenvaller dat er zo weinig is terechtgekomen van gedeelde zorg. Bijna driekwart van de vrouwen had de opvang en verzorging van hun kinderen graag samen met hun partner geregeld. Zeventig procent van de vrouwen die gebruik maken van kinderopvang nemen al het bijbehorende regelwerk op zich. In Nederland zou acht procent van de vrouwen geen kinderen wensen omdat hun partner te weinig wil meezorgen.
“De meeste mannen laten de beslissing over aan hun partner”
Kortom, jonge, vooral hoogopgeleide vrouwen, maar ook lageropgeleide vrouwen, willen er voor passen het leeuwendeel van opvoeding op hun bordje te krijgen. Communicatiemanager Astrid schat in dat haar vriend veel zal willen blijven werken en dat kan zij zich goed indenken. Zij is namelijk net zo beducht voor de verandering in haar eigen leven en het beslag dat een kind op haar zou leggen.
‘Mijn vriend heeft een eigen zaak. Mochten er kinderen komen dan zal hij misschien één dag minder gaan werken. Maar hij zal nooit fulltime huisvader worden, dat zou ik hem ook nooit vragen. Ook ik wil blijven werken als communicatiemanager, ik zou helemaal gek worden als ik alleen maar huismoeder zou zijn. Ik zou niet alleen inleveren wat werk betreft, maar ook als individu. Ik wil mijn eigen leefwereld behouden en feeling houden met de maatschappij. Ik ben bang te worden opgeslokt.’
Het zijn precies de kwesties waarover vrouwen en mannen stevig zaken zullen moeten doen aan de keukentafel. Wat overigens opvalt bij het beslissingsproces van stellen is dat mannen de keuze voor kinderen nog vooral over laten aan hun vrouw. Volgens het CBS leidt bij vijftien procent van de stellen mannelijke twijfel tot uitstel van kinderen en betekent onenigheid over kinderen bij tien procent van de stellen een breuk. Maar het zijn vooral vrouwen die kinderen eerder en vaker ter sprake brengen in relaties. Vaak hebben mannen dan niet eens over kinderen nagedacht. Het risico van deze afzijdige houding van hun man is dat deze zich wel eens minder verantwoordelijk kunnen voelen voor de beslissing en dus ook voor de consequenties ervan. ‘Maar jij wilde toch zonodig kinderen, schat?’ Precies dat willen vrouwen voorkomen.
Eerder gepubliceerd in de Volkskrant.
